Pesach (20 april)

Vierduizend jaar geleden leidde God het joodse volk weg uit Egypte, waar het in slavernij had geleefd. Met Pesach herdenken joden deze bevrijding. Pesach betekent zoiets als “voorbijgaan”. God strafte Egypte voor de slavernij met tien rampen. De allerlaatste en meest gruwelijke ramp sloeg de joodse huizen over: die waren beschermd met een speciaal teken.

De joden moesten plotseling vertrekken en hadden geen tijd om hun brooddeeg te laten rijzen. Ze namen platte, ongezuurde broden mee: matzes. Met Pesach mag er daarom niets in huis zijn dat gist of zuurdesem bevat. Geen brood, geen koekjes en bijvoorbeeld ook geen bier. Pesach duurt acht dagen. Op de eerste dag en laatste twee dagen mag er niet gewerkt worden. De dagen daartussen in wel. Alle dagen eten de joden ongezuurd brood.

Het feest begint met de viering van Seder op de eerste twee avonden. “Seder” betekent “ordening”, want de avonden verlopen volgens een vast patroon. Je krijgt met de hele familie een speciale maaltijd: een bitter kruid, zout water, een ei, een geroosterd lamsbeen, een soort fruitkoek (charoseth), vier glaasjes wijn en verse lentegroente. Aan de hand van deze etenswaren wordt het verhaal van de vlucht uit Egypte verteld aan de kinderen.

Hierna wordt de echte maaltijd opgediend en zingt de familie samen vrolijke liedjes. Er staat een extra glas op tafel voor Elia. Elia is een profeet: hij geeft goddelijke boodschappen door. Op de Sederavond kan hij misschien binnenkomen om de messias aan te kondigen, een leider die de joden vrede zal brengen.