Poerim (Lotenfeest) (21 maart)

Het vrolijke Poerimfeest lijkt wel een beetje op carnaval, maar het is gebaseerd op een ernstig verhaal. In het jaar 475 ontkwamen de joden aan een massale moordpartij in Perzië, ongeveer het Iran van nu. Haman, de minister van de Perzische koning, had om de slachting gevraagd. Maar het joodse meisje Esther en haar oom Mordechai overtuigden de koning ervan hoe misdadig dat was. Haman werd ter dood veroordeeld en de joden wisten de aanval met een hevig gevecht af te slaan. Op de Assendelfter kast is dit verhaal uitgebeeld.

“Poer” betekent lot. Haman had de datum van de moordpartij bepaald door lootjes te trekken. Op de joodse kalender was dat de veertiende dag van de maand Adar. En dat is nu de dag van Poerim oftewel het Lotenfeest.

Op de avond vóór en de ochtend van het feest gaan de kinderen naar de synagoge, het joodse gebedshuis. Daar leest de rabbijn (de religieuze leider) het verhaal van Esther voor. Iedere keer als de naam Haman valt, maken de kinderen een gigantisch lawaai. Zo laten ze horen hoe kwaad iedereen op Haman is.

De avond van tevoren mag je niet eten, maar met Poerim zelf worden er lekkere hapjes uitgedeeld. Hamanstaschen zijn koekjes gevuld met pruimen of maanzaad, in de vorm van Hamans hoed. Hamansoren zijn gefrituurde en gekrulde koekjes met poedersuiker die een beetje op oren lijken. De kinderen brengen het eten rond. Ze hebben zich verkleed: vaak als iemand uit het verhaal van Esther, maar iets anders mag tegenwoordig ook. Piraat, prinses of clown bijvoorbeeld.