Palmpasen (14 april)

De laatste zondag voor Pasen heet Palmpasen. Deze “Palmzondag” is de eerste dag van de Goede Week. Zeven dagen lang herdenken christenen dan de laatste week uit het leven van Jezus en bereiden ze zich voor op Pasen.

De week voor Pasen was vroeger ook de tijd van de grote schoonmaak. Het werd lente en je kon weer werken op het land. Alles moest op orde zijn. Mensen kochten nieuwe kleren om er op hun “paasbest” uit te zien.

Op Palmzondag wordt de intocht van Jezus in Jeruzalem gevierd. Hij reed op een ezel de stad in en de mensen wuifden hem juichend toe met palmtakken. In de katholieke kerk krijg je daarom tegenwoordig op deze dag “palmtakjes” mee. In het koude Nederland zijn dat meestal buxustakjes. Thuis bewaar je ze bijna een heel jaar voor bescherming en geluk. Op Aswoensdag breng je de takjes weer terug naar de kerk.

Op sommige plaatsen houden kinderen een optocht met palmpaasstokken. Die zijn versierd met groene takken, slingers en snoep. Bovenop de stok zit een haantje van brood. De palmpaasstok lijkt wel een beetje op een boom en herinnert aan de nieuwe lente.

Het haantje hoort ook bij Petrus, Jezus beste vriend. Terwijl Jezus gevangen zat, loog Petrus door maar liefst drie keer te zeggen dat hij Jezus niet kende. Toen kraaide er een haan, zoals Jezus hem had voorspeld. Petrus kreeg onmiddellijk spijt. En laten zien dat je spijt hebt van verkeerde daden is belangrijk bij Pasen.