Advent (1 december t/m 24 december)

De vier weken voorafgaand aan Kerstmis heten Advent. In deze periode wachten christenen op de komst van het kindje Jezus. Oftewel “Davids zoon, lang verwacht”, zoals een regel uit het kerstlied “Stille Nacht” beschrijft. Want profeten hadden voorspeld dat uit de familie van koning David een nieuwe, bijzondere koning voort zou komen. “Adventus” is dan ook het Latijnse woord voor “komst”. Met Advent begint bovendien het kerkelijk jaar. Er zijn veel tradities ontstaan om die lange, spannende wachttijd in kleine stukjes op te delen. Zoals bijvoorbeeld de adventskalender, die zo’n 150 jaar geleden in Duitsland zijn oorsprong vond. Vanaf 1 december mag je daar iedere avond één luikje van openen. En bij elk luikje hoort een verhaaltje. Achter het laatste luikje, 24 december, zit meestal een plaatje van Maria, Jozef en het kindje Jezus. Dan wordt het verhaal van de geboorte verteld.

Vanaf 1930 is in veel kerken en huizen een adventskrans te zien. Dat is een krans van dennentakken met vier kaarsen erop. Hij staat bol van de symboliek: het dennengroen verwijst naar de kerstboom en dus naar Kerstmis. Groen staat ook voor levenskracht, voor nieuw leven. De cirkel stelt Gods eeuwige liefde voor. De vorm van een krans heeft te maken met een huldiging of kroning: die van Jezus. De kaarsen zijn meestal wit en staan voor de vier zondagen tijdens Advent. Elke zondag wordt er weer eentje extra aangestoken.