Carnaval (11 februari t/m 13 februari)

Met carnaval staat alles op zijn kop! Je leeft je helemaal uit: verkleden, gek doen, veel eten en drinken… Want carnaval was vroeger het laatste moment in de winter waarop je dat allemaal mocht doen. Daarna begon de vastentijd, die duurde tot aan Pasen. Dan moest je sober leven en serieus zijn. Je mocht bijvoorbeeld geen vlees eten. Op het schilderij De strijd tussen carnaval en vasten staat de “magere” vastentijd dan ook pal tegenover het “wilde” carnaval. Het woord “carnaval” betekent onder andere carne vale: vlees vaarwel. Daarom is de vastentijd uitgebeeld als een grote vis.

Carnaval begint zeven weken voor Pasen. De datum van Pasen wisselt elk jaar, dus die van carnaval ook. Maar het valt altijd ergens tussen 1 februari en 7 maart. Vooral in de provincies Limburg en Noord-Brabant heeft het carnaval vrolijke gewoontes. In optochten met praalwagens worden de machthebbers, zoals ministers, burgemeester en wethouders, belachelijk gemaakt. Zij zijn even niet meer de baas, dat is Prins Carnaval. Elke stad die meedoet kiest jaarlijks een nieuwe Prins. Iedereen verkleedt zich en doet maskers op. Als je niet herkenbaar bent, kun je veilig wegkomen met je grappen en grollen.

De kerk en de stadsbestuurders probeerden eeuwenlang te voorkomen dat alles uit de hand liep. Rond 1800 werd er zelfs bijna geen carnaval meer gevierd! Gelukkig is dat nu anders: sinds een jaar of vijftig hossen en feesten we weer massaal.

In andere culturen en religies zijn er feesten die lijken op ons Carnaval, bijvoorbeeld het joodse feest Poerim.