Chanoeka (1 januari)

Tijdens de acht dagen van Chanoeka vieren de joden dat ze de grote tempel in Jeruzalem weer voor hun eigen godsdienst mochten gebruiken. Dat gebeurde in het jaar 165 voor Christus. Daarvoor waren ze een tijdlang gedwongen de Griekse goden te vereren. Bij de “heropening” was er nog maar een beetje lampenolie om de grote kandelaar in de tempel te laten branden. Maar door een wonder bleef dat kleine beetje acht dagen licht geven, net lang genoeg om nieuwe olie te maken.

Vanwege deze gebeurtenis is Chanoeka een lichtfeest. Joodse families steken in een speciale kandelaar op de eerste avond één kaarsje aan. Iedere avond komt daar een kaarsje bij, totdat op de achtste dag alle kaarsen branden. Ze worden aangestoken met een speciale negende kaars, die een aparte houder heeft. Het lijkt een beetje op het aansteken van de kaarsen op de Adventskrans.

Chanoeka is een zogenaamd “halffeest”. Het hoort niet bij de belangrijkste dagen van het joodse jaar, maar herinnert wel aan een voorval uit de geschiedenis van de joden. In dit geval gaat het over trouw blijven aan jezelf, ook al wil je omgeving iets anders.

Chanoeka is een vrolijk en nog altijd populair feest, ook al is de tempel in het jaar 70 na Christus verwoest. Het is dan ook een echt familiefeest: mensen komen iedere avond thuis bij elkaar om te eten, te zingen, cadeautjes uit te delen en spelletjes te spelen. Er zijn ook speciale hapjes: soefganiot en latkes, oftewel zoete en hartige pannenkoekjes.